Eindrapport Inspectieonderzoek Reclassering in Curaçao

Willemstad, 22 oktober 2014 – In het jaarplan van de Raad is bepaald dat in 2013 een (doorlichtings)onderzoek zal worden gedaan naar de instelling belast met de reclassering van volwassenen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub b van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving vallen onder het toezicht van de Raad de organisaties waar de reclassering ten aanzien van volwassenen plaatsvindt. De Raad heeft met de inspectie onderzocht in hoeverre en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de (volwassenen)reclassering in Curaçao.

Algemeen
Reclassering in Curaçao omvat het geheel aan activiteiten verricht door het Centraal College voor de Reclassering, particuliere bemoeiingen en rechtstreekse overheidsbemoeiingen vanaf het moment dat de Stichting Reclassering Curaçao in kennis wordt gesteld van de eerste detentie van een verdachte. Reclassering omvat een breed scala van activiteiten ontplooid vanaf het eerste moment van detentie, tijdens de duur van de gevangenisstraf en de periode na het beëindigen van de gevangenisstraf.
De Raad heeft gedurende de inspectie, onderzoek gedaan naar de organisatie(s) en instellingen die de reclassering van volwassenen uitvoeren en de samenwerkingsafspraken die daarbij zijn gemaakt. Ook heeft de Raad gekeken naar de diverse deelactiviteiten die worden verricht in het kader van reclassering. Tevens heeft de Raad getoetst of de voorschriften en richtlijnen die ten aanzien van de te onderscheiden deelactiviteiten gelden worden uitgevoerd en nageleefd.
Uit het wettelijk kader van de reclassering blijkt dat drie instanties betrokken zijn bij het reclasseringsproces, namelijk: het Centraal College voor de Reclassering (CCvR), de strafgevangenis of huis van bewaring (SDKK) en de Stichting Reclassering Curaçao (SRC). De taken en werkzaamheden van de CCvR en SDKK zijn rechtstreekse overheidsbemoeiingen met reclassering terwijl de taken en werkzaamheden van de SRC wettelijk als particuliere bemoeiingen worden gecategoriseerd. De structuur is zodanig dat het College algemeen toezicht houdt op de werkzaamheden van de Stichting Reclassering Curaçao.
Activiteiten binnen het reclasseringstraject zijn niet alleen voorbehouden aan het Centraal College voor de Reclassering, huis van bewaring en de Stichting Reclassering Curaçao. Diverse andere instellingen worden ingeschakeld in het kader van de uitvoering van de reclassering. Onderdeel van het onderzoek was ook om deze instellingen en hun werkzaamheden in kaart te brengen. Deze zijn respectievelijk: de Stichting Brasami (Brasami), Fundashon Maneho di Adikshon (FMA) en de Monitorgroep.

De Stichting Reclassering Curaçao.
De Raad heeft geconstateerd dat de Raad van Ministers in februari 2011 het besluit heeft genomen tot de geleidelijke overname van de reclasseringstaken van de Stichting Reclassering Curaçao door een nieuw op te richten uitvoeringsorganisatie. Het concept-landsbesluit LB HAM tot wijziging van het Reclasseringsbesluit 1953 dat een nieuwe Uitvoeringsorganisatie Reclassering Curaçao als uitvoeringsorganisatie binnen het Ministerie van Justitie moet formaliseren was ten tijde van het onderzoek echter nog niet door de regering vastgesteld. De reclasseringstaken werden uitgevoerd door de Stichting Reclassering Curaçao onder leiding van een door het Ministerie van Justitie ter beschikking gestelde interim-directeur van de stichting. Dezelfde functionaris moest derhalve aan twee organen, te weten aan het bestuur van de SRC en aan het bevoegd gezag bij het Ministerie van Justitie, verantwoording afleggen. Vooruitlopend op de formalisering van de nieuwe Uitvoeringsorganisatie Reclassering werd deze per 1 januari 2012 op de begroting van het land Curaçao opgevoerd.
De verantwoording van de stichting jegens de regering dient te zijn geformaliseerd in een bereidverklaring. De Raad heeft tijdens het onderzoek niet geconstateerd dat de reclassering een bereidverklaring heeft afgelegd. De Raad heeft slechts over het jaar 2009 een goedgekeurd jaarverslag aangetroffen. Van de jaren 2010 tot en met 2012 zijn er nog geen goedgekeurde jaarverslagen. Op grond van het vorengestelde heeft de Raad geconcludeerd dat de verantwoording van de SRC over de periode 2010 – 2012 niet conform regels is geschied. Tevens constateert de Raad dat er geen goedgekeurde jaarplannen en begroting over de periode van 2011 tot en met 2013 zijn.
Het voorportaal van de werkzaamheden van de SRC beslaat het opmaken van vroeghulp- en voorlichtingsrapporten van de cliënten voor het OM. Op grond van de vastgestelde normen en deadlines komt de Raad tot de conclusie dat een hoog percentage van het aantal verzoeken om vroeghulp niet wordt afgerond met een vroeghulprapport. De Raad concludeert dat op grond van de vastgestelde normen en deadlines voor de meeste cliënten wel een voorlichtingsrapport wordt opgemaakt.
De Raad komt tot de conclusie dat de SRC in de meeste gevallen niet aanwezig is ter zitting bij de behandeling van zaken betreffende hun cliënten. Het OM is echter tevreden over de opzet, inhoud en adviezen van de rapporten die door de SRC worden geleverd ten behoeve van de zittingen.
Reclasseringsbegeleiding / resocialisatie van de cliënten is een van de belangrijkste taken van de SRC. Naar het oordeel van de Raad wordt echter onvoldoende invulling gegeven aan de reclasseringsbegeleiding / resocialisatie van de cliënten. Tevens komt de Raad tot de conclusie dat er achterstanden zijn met betrekking tot het opstellen van de hulpplannen en het verzorgen van trainingen voor de cliënten. Voor het overgrote deel van de cliënten is er nog geen activiteitenprogramma opgesteld. De Raad concludeert dat dit taakgebied mede door onvoldoende financiële middelen, een tekort aan personeel en het uitblijven van adequate trainingen voor de medewerkers niet konden worden ingevuld. Voorts concludeert de Raad dat wegens gebrek aan financiële middelen en tekort aan personeel geen concrete stappen zijn ondernomen om via algemene bewustwording campagnes de acceptatie van ex-gedetineerden in de samenleving te bevorderen.
De Raad concludeert dat de trainingen voor de medewerkers de afgelopen twee jaren niet hebben plaatsgevonden vanwege het korten op desbetreffende begrotingspost, een hoge werkdruk en tekort aan personeel. De Raad concludeert dat bovengenoemde feiten tot hebben gevolg hebben gehad dat speciale projecten ten behoeve van cliënten en hun relaties niet konden worden gerealiseerd.

De strafgevangenis of huis van bewaring
Positief is dat de Raad heeft kunnen concluderen dat een groter percentage gedetineerden werkzaam waren in het kader van hun resocialisatietraject gedurende de inspectieperiode in vergelijking met de jaren daarvoor. Daar staat tegenover dat de mogelijkheden voor de gedetineerden voor het volgen van cursussen of (vak)opleidingen in het kader van hun resocialisatietraject zeer beperkt zijn en dat het aanbod de afgelopen jaren tevens is afgenomen. De Raad concludeert aan de hand van de beschikbare informatie en interviews met de respondenten ten tijde van het onderzoek dat in beperkte mate invulling werd gegeven aan de coördinatie van de uitvoering van taakstraffen. Er werd uitsluitend invulling gegeven aan de coördinatie van werkstraffen. Er vond geen coördinatie van de leerstraffen plaats. De Raad concludeert dat de meerderheid van de opgelegde straffen positief worden afgerond, maar dat er tevens een groot aantal personen (meer dan 30%) hun taakstraf met negatieve beoordeling afronden. De Raad heeft tevens geconstateerd dat er onvoldoende fondsen zijn om de cursussen uit te besteden en dat er gebrek is aan tijd en personeel bij de SRC om gedurende kantooruren cursussen als leerstraffen aan de cliënten te geven.
De Raad concludeert tenslotte dat nagenoeg alle adviezen betreffende Elektronisch Toezicht en Voorwaardelijke Invrijheidsstelling binnen de vastgestelde termijnen door de SRC worden uitgebracht.

Beleidsprioriteiten van de regering
Voor wat betreft de beleidsprioriteiten geformuleerd door de regering concludeert de Raad in het algemeen dat er weinig programma’s en projecten voor de resocialisatie van gedetineerden zijn ontwikkeld en uitgevoerd.
De Raad concludeert dat aan de diverse beleidsprioriteiten van de Minister van Justitie weinig tot geen invulling is gegeven door de daarvoor verantwoordelijke diensten en organisaties. De reden zijn: 1) er is onvoldoende aandacht voor de resocialisatie en vorming van de gedetineerden 2) er zijn geen samenwerkingsverbanden aangegaan met gevangenissen in de regio waar succesvolle resocialisatieprogramma’s worden toegepast 3) er wordt onvoldoende aandacht besteed aan programma’s en projecten voor de resocialisatie van gedetineerden 4) er zijn wegens gebrek aan financiële middelen en tekort aan personeel geen concrete stappen ondernomen om via algemene bewustwording campagne een betere acceptatie van ex-gedetineerden in de samenleving te bevorderen.
Tevens concludeert de Raad dat er sprake is van een inkrimping / afname van het vormingsplan voor gedetineerden en dat er geen sprake is van (meer) mogelijkheden voor de gedetineerden om buiten de gevangenis werkzaamheden te doen ten behoeve van de gemeenschap.

Positief is dat de Raad heeft vastgesteld dat er een goede samenwerking is tussen de instellingen die betrokken zijn bij de uitvoering van de reclassering. De overlegmomenten en samenwerkingsafspraken zijn echter niet-structureel en niet geformaliseerd. De Raad is van mening dat betrokken partijen (SRC en SDKK) zo snel mogelijk tot concrete samenwerkingsafspraken dienen te komen met betrekking tot de resocialisatie van (ex) gedetineerden. De Raad concludeert tenslotte dat ondanks het feit dat de monitorgroep geen formele grondslag heeft, diens werkzaamheden een belangrijke en waardevolle bijdrage leveren binnen het adviserings- en besluitvormingstraject van Voorwaardelijke Invrijheidsstelling of Elektronisch Toezicht.

Aanbevelingen van het rapport commissie Camelia-Römer
Voor wat betreft de aanbevelingen van de commissie Camelia-Römer heeft de Raad nagegaan welke adviezen zijn geïmplementeerd. De Raad concludeert daarbij dat de Minister in de loop der jaren op herkenbare wijze zijn verantwoordelijkheid voor het reclasseringswezen heeft aanvaard. De Raad constateert ook dat er een evaluatie van de reclasseringsinstellingen en CCvR heeft plaatsgevonden en dat er een reclasseringsbeleid is geformuleerd met accent op de resocialisatie. Het Reclasseringsbesluit 1953 is echter nog niet conform het advies van de commissie Camelia-Römer gereviseerd en aangepast aan de eisen des tijds en er is geen uitvoering gegeven aan artikel 7 en 8 van genoemd besluit. De Raad concludeert dat, ondanks de uitbreiding van de alternatieve straffen deze straffen in de praktijk niet effectief worden uitgevoerd wegens een tekort aan locaties voor de uitvoering van de straffen. De Raad concludeert aan de hand van de bevindingen van dit onderzoek dat de regering er niet volledig in is geslaagd om de gevangenissen adequaat te equiperen zowel met betrekking tot infrastructuur als met betrekking tot resocialisatieprogramma’s.
Aangezien ten tijde van het onderzoek het proces om personeel van de reclasseringsinstellingen aan te trekken nog niet was afgerond concludeert de Raad dat ook dit advies van de commissie Camelia-Römer nog niet volledig is uitgevoerd. Tenslotte concludeert de Raad dat er nog onvoldoende bekendheid door de reclassering wordt gegeven van hun werkzaamheden en resultaten via de media. De eindconclusie is dat van alle adviezen van de commissie Camelia-Römer er slechts enkele zijn uitgevoerd in de periode van 7 jaren sinds de publicatie van het rapport van genoemde commissie.
Het volledig rapport is digitaal beschikbaar op onze website www.raadrechtshandhaving.com.

Mr. G.H.E. Camelia
Raadslid namens Curaçao

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *